Dalrymple (1)
Theodore Dalrymple (pseudoniem voor Anthony Daniels) is een Britse psychiater die vele jaren in een ziekenhuis en een gevangenis in de achterbuurten van een grote stad in Engeland heeft gewerkt en ook in enkele van de armste landen van Afrika en in zeer arme landen in de Stille Zuidzee en Latijns-Amerika.
Uit die jarenlange praktijkervaring met mensen uit de onderkant van de samenleving heeft hij op de oorzaken van hun ellende een visie ontwikkeld die diametraal op de gangbare mening staat die sinds de jaren zestig bij progressieve intellectuelen ingang vond en daarna ook tot de mensen aan de onderkant doorsijpelde.
Hij heeft hierover een paar boeken geschreven die in Nederland erg goed zijn ontvangen, ook in progressieve kringen. Ten eerste zijn boek “Leven aan de onderkant – het systeem dat de onderklasse instandhoudt”. Een reeks heel goed en vlot geschreven essays waarin hij met het fileermes het gangbare cultuurrelativisme aan gort snijdt. Over dit zéér maatschappelijk-relevante boek schrijf ik in een ander logje meer.
In zijn tweede boek “Beschaving – of wat ervan over is” ben ik net begonnen. Ik heb net de Inleiding uit en die is al meteen raak. Het smaakt meteen naar meer, en dat wil ik de lezer niet onthouden. Daarom heb ik dat stuk hieronder vrijwel onverkort overgenomen.
De kwetsbaarheid van de beschaving is een van de grote lessen van de 20e eeuw. Aan het begin van die eeuw was het optimisme dat technische en morele vooruitgang hand in hand gingen, zo niet algemeen dan op z’n minst wijdverbreid. (…) Dankzij de toenemende wetenschappelijke en technische kennis zou de mens steeds welvarender worden, steeds gezonder, en daarom steeds gelukkiger. Wijsheid zou het logische gevolg zijn.
De mensheid is inderdaad steeds welvarender en steeds gezonder geworden. De vooruitgang is overduidelijk. De levensverwachting van een Indiase boer overtreft nu bijvoorbeeld verre die van een lid van de Britse koninklijke familie op het hoogtepunt van de Britse macht. In veel delen van de wereld is er geen armoede meer in absolute zin, zoals gebrek aan voedsel, onderdak of kleding; zij is relatief. De ellende bestaat niet meer uit grote lichamelijke ontberingen, maar vloeit voort uit de vergelijking met de enorme aantallen rijke mensen waardoor de relatief arme mensen omringd worden en van wie de (relatieve) rijkdom door de armen als een belediging, een schande en een onrecht wordt ervaren.
Maar waar de hoop op vooruitgang niet geheel en al een illusie is gebleken, is de angst voor een terugval evenmin ongegrond gebleken. De Eerste Wereldoorlog vernietigde het oppervlakkige optimisme dat inhield dat een vooruitgang naar een hemel op aarde mogelijk of zelfs onvermijdelijk was. De meest beschaafde volkeren bleken in staat tot de meest gruwelijke vorm van georganiseerd geweld. Toen kwamen het communisme en het nazisme, die gezamenlijk vele miljoenen mensenlevens kostten, op een manier die nog maar enkele tientallen jaren eerder voor onvoorstelbaar was gehouden. Vele van de rampen van de 20e eeuw zouden kunnen worden gekarakteristeerd als aanvallen op de beschaving zelf: de Culturele Revolutie in China bijvoorbeeld en de Rode Khmer in Cambodja. Nog in 1994 werden in Rwanda duizenden gewone mensen via demagogische oproepen over de radio getransformeerd in meedogenloze moordenaars (…) (met schattingen van het aantal slachtoffers tot ca 1 miljoen, HPK). Wie zou nu nog een weddenschap durven af te sluiten dat iets dergelijks elders in de wereld nooit meer zal voorkomen?
Je zou onder de gegeven omstandigheden mogen verwachten dat het de voornaamste zorg was van intellectuelen, die per slot van rekening geacht worden verder te kijken dan hun neus lang is en dieper na te denken dan de gewone man of vrouw, om de grenzen die beschaving van barbarij scheiden in stand te houden, aangezien deze grenzen de afgelopen honderd jaar vaak zo kwetsbaar zijn gebleken. Maar dan heb je het mis. Sommigen hebben bewust voor de barbarij gekozen; anderen hebben zich nog steeds niet gerealiseerd dat grenzen niet vanzelf in stand blijven, maar bewaakt of zelfs krachtig verdedigd moeten worden. Het doorbreken van taboes en het vertonen van grensverleggend gedrag verdienen in de ogen van moderne critici de hoogste lof, ongeacht welke grenzen zijn verlegd of welke taboes zijn doorbroken. In een recensie over een filosoof (…) worden zijn persoonlijke deugden opgesomd. Daarbij was het feit dat hij onconventioneel was – maar de schrijver voelde zich niet geroepen om aan te geven in welk opzicht hij dan onconventioneel was. Voor de recensent was de bij de filosoof veronderstelde minachting voor conventies al een deugd op zich.
Natuurlijk zou die een deugd geweest kunnen zijn, maar evengoed een ondeugd, afhankelijk van het ethische gehalte en het maatschappelijke effect van de desbetreffende conventie. Maar er bestaat weinig twijfel dat door een tegendraadse houding aan te nemen tegenover gevestigde maatschappelijke regels de moderne intellectueel in de ogen van andere intellectuelen zijn sporen verdient. En het prestige dat intellectuelen hieraan verlenen bereikt vroeg of laat de niet-intellectueel. Wat goed is voor de bohémien wordt vroeg of laat goed voor (…) (de mensen aan de onderkant van de samenleving. HPK) Het soort mensen dat juist grenzen nodig heeft om het leven aan te kunnen of de hoop op verbetering levend te houden. Het gevolg is morele, spirituele en emotionele misère, die kortstondige pleziertjes en aanhoudend lijden met zich meebrengt.
Dat wil natuurlijk niet zeggen dat alle kritiek op maatschappelijke conventies en tradities destructief en ongerechtvaardigd is; ongetwijfeld heeft er nimmer een maatschappij bestaan waarin er niet veel en terecht bekritiseerd kon worden. Maar critici van maatschappelijke instituties en tradities, met inbegrip van schrijvers van fictie, zouden zich altijd moeten realiseren dat een beschaving evenveel onderhoud als verandering behoeft, en dat grenzeloze kritiek, of kritiek vanuit het standpunt van utopische grondbeginselen, bij machte is om veel -zelfs onherstelbare- schade aan te brengen. Niemand is zo geniaal dat hij alles alleen kan bedenken, en dat kennis van eeuwen hem niets nuttigs heeft te melden. Wie zich dit anders voorstelt, geeft zich over aan de meest egocentrische hoogmoed.
Omdat ik een aanzienlijk deel van mijn beroepsleven in derdewereldlanden heb doorgebracht, waar met de invoering van abstracte ideeën en idealen beroerde situaties nog onvergelijkbaar slechter zijn geworden, en de rest van mijn carrière in de zeer grote Britse onderklasse, waarvan de rampzalige denkbeelden hoe te leven in laatste instantie afkomstig zijn van onrealistische, genotzuchtige en vaak onzinnige ideeën van maatschappijcritici, ben ik het intellectuele en artistieke leven gaan zien als van immens praktische betekenis. John Maynard Keynes (buitengewoon beroemde econoom, HPK) schreef (…) dat mensen van de praktijk misschien niet veel tijd hebben voor allerlei theoretische overwegingen, maar dat de wereld in feite door weinig anders wordt geregeerd dan door gedateerde of geheel achterhaalde denkbeelden van economen en sociaal-filosofen. Daar ben ik het mee eens, behalve dat ik daar nog aan zou willen toevoegen: romanschrijvers, filmregisseurs, journalisten, kunstenaars en zelfs popzangers. Zij zijn de onofficiële wetgevers van de wereld; we zouden veel aandacht moeten besteden aan wat zij te zeggen hebben en hoe ze het zeggen.
Pseudoniemen
Omdat ik over sommige zaken een mening heb, vind ik het helemaal niet erg die te ventileren als reactie op digitale krantenartikelen of blogs. De NRC, Volkskrant, Telegraaf en sommige andere kranten bieden regelmatig die mogelijkheid. Meestal reageer ik als ik het er (helemaal) niet mee eens ben, en polemiseer dan ook wel als ik het nodig vind. Lekker scherp. 
Om te voorkomen dat gegoogle op mijn naam onmiddellijk honderden uitspraken en betogen laat opwaaien die meestal alleen in de context en de actualiteit van het artikel verstaan moeten worden, schrijf ik onder pseudoniemen. Bij de NRC, Volkskrant en sommige anderen heb ik namen gekozen met een kleine kans dat die werkelijk bestaan. Voor de Telegraaf gebruik ik korte simpele variaties daarop. Daar heb ik al honderden reacties achtergelaten, meestal over binnenlandse actualiteiten. Ook in de digitale lokale kranten reageer ik veelvuldig, meestal over gemeentelijke politiek.
In de NRC (-Next) een aantal reacties over Bolkestein, Harry Mulisch, het tonen van foto’s en filmpjes en over de nieuwe NRC zelf. Toen in die krant nieuwkomer Ernest van der Kwast volop ruimte voor zijn niksigheden kreeg en direct daarop een reeks onwaarschijnlijke lofuitingen verscheen, moest ik hem wel met de ongeklede keizer vergelijken. Nadat ik dat twee keer had gedaan liet een stumperd van een moderator nieuwe reacties van mijn alter ego niet meer toe. Hier moest iemand geplugd worden, zoveel was duidelijk. Na zijn vierde stukje las ik ‘m niet meer. Misschien dat ie inmiddels echt leuk is geworden, maar dat zou ik waarschijnlijk niet eens kunnen melden want mijn compliment zou meteen ironisch worden uitgelegd!
Wijs onderwijs!
Vanmiddag zijn de stemmen geteld van de Eerste Kamerverkiezingen en blijkt de huidige coalitie een meerderheid te kunnen halen als 1 SGP lid meestemt. Dat is vooral belangrijk voor het aangenomen krijgen van de integratie en immigratie voorstellen die de oppositiepartijen anders zouden wegstemmen.
Voor die integratie- en immigratievoorstellen ben ik niet bang. Wél voor de neo-liberale opvattingen over onderwijs en economie. Minister Bijsterveldt (CDA) van onderwijs wil scholen weer managementprincipes uit het bedrijfsleven dwingend opleggen. Het draait allemaal om nulmetingen (cito), monitoring (leerlingvolgsysteem) en toetsen (cito). Het onderwijsproces wordt ontleed in een set van meetbare prestatie indicatoren, om de schoolmanager het instrumentarium te geven om te sturen. Wat sturen? Hoe deden ze dat vroeger dan? Welk probleem wordt hiermee opgelost? Krijgen zwakkere kinderen nu wat bijles en krijgen de sterkste leerlingen extra stof? Misschien. Maar dat kan een goede onderwijzer ook zonder meetinstrumenten. Kinderen worden op de school van mijn dochter openlijk ingedeeld in drie schalen: maankinderen, zonnekinderen en sterrekinderen. Ze zitten ook allemaal fysiek bij hun eigen categorie. En kids die nog niet zo snel volgens de objectieve norm kunnen lezen mogen alleen boeken uit boekenkast 1 pakken, de andere kinderen lezen de boeken uit boekenkast 2. Gevolg? Uiterlijk zichtbare classificaties die sommige kinderen ertoe brengen dat ze zich meer naar hun etiket gaan gedragen, wat voor de zwakkere leerling natuurlijk een spiraal naar beneden is.
Maar het echte doel achter de metingen is vooral een andere.
De scholen als geheel worden nu meetbaar. Er kunnen nu prestatieladders van alle scholen in het land worden gepubliceerd waaruit ouders kunnen aflezen waar ze hun kinderen naar toe moeten sturen. Uiteraard is het management van de scholen erop gebrand om hoog te scoren. Kinderen die dat doel in de weg staan zijn eigenlijk een ballast. Hoe meer kinderen hoe meer Rijksgeld en hoe groter de scholen hoe meer status en salaris voor het management. Gevolg? De essentie van goed onderwijs en zorg wordt slechts een afgeleide van deze managementdoelen. Managers die ver van de onderwijswerkvloer afstaan, niet goed weten wat daar speelt en wat wél werkt en wat niet en veel budgetten naar zich toe trekken (management, gebouwen, studiereizen in het buitenland en heisessies kosten wat) en als neveneffect een rationalisering die de beroepseer aantast. Als een school nog wel goed de essentie van zijn bestaan begrijpt, dan komt dat vooral door onderwijzers en docenten die dat nog goed op het netvlies hebben. Maar ze sterven uit. 
De scholen gaan fuseren want dat hoort bij het managementcircus, groter worden, groeien. Nieuwbouw, strategisch handelen, imago en aanboren van nieuwe groepen leerlingen is het verborgen adagium van het scholenmanagerdom. Hoewel onderwijs geen echt bedrijfsleven is en efficiëntie meestal bij lange na niet bereikt wordt zijn de managementaken natuurlijk vreselijk moeilijk en dat moet gecompenseerd worden door “marktconforme” salarissen, dat spreekt.
Op de openbare basisschool waar mijn dochtertje dit jaar 10-11 in groep 3 zit, vertoeven enkele juffen die het bovenstaande meting-monitoring-toetsingsmodel al verbeten toepassen. De juf van mijn dochter gedraagt zich tijdens een rapportbespreking als een schooljuf die geen tegenspraak duldt: op een kritische vraag van mij reageerde ze met de groot opgezette ogen waarin je kon lezen “Wat zullen we nou krijgen?!”. Sindsdien ontwijkt ze mij opvallend als ik ‘s ochtends dochterlief naar haar klas breng. Wat zijn dat voor onderwijzers? Volgens mij hebben ze ambities om manager te worden, want dat is ook de enige weg als je als docent carrière wil maken.
Het is niet alleen in het onderwijs, maar ook in de zorg, de overheid en ook in het bedrijfsleven zelf waar klakkeloos managementtheoriën, -methoden en -termen worden toegepast die de organisatie fors afleiden van hun essentie. Minister Bijsterveldt lijkt dit ook kritiekloos over te nemen en laat daarmee zien geen echte conservatief te zijn, maar een neo-liberaal, die de ongunstige trend van de laatste decennia lijkt te hebben gemist.
Wordt vervolgd!
Aanbevolen:
Link naar manifest van Vereniging Beter Onderwijs 
Boek “Bullshitmanagement” door Jos Verveen, ondernemer en raadslid in Rotterdam, bedrijfskundige van de EUR en werkte 15 jaar in de organisatie- en communicatiebranche.
2011 ISBN 978 90 5261 847 0
Geduld!
Deze blog is NIET dood.
Het rommelt en de erupties komen eraan.
Waarom vertrokken?
Mijn zus en ik schrijven beide wel eens logjes over onze tijd in Zuid-Afrika. Als reactie op één van haar logjes kwam de vraag: waarom weer uit het land vertrokken terug naar Nederland? Om hier die vraag voor te zijn alvast het antwoord, voor zover ik die gehoord heb van mijn ouders en zus.

Allereerst: waarom vertrokken uit Nederland? In de jaren vijftig emigreerden veel mensen. Ze vertrokken naar de VS, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland en dus Z-Afrika. Mijn ouders vertelden mij altijd dat de toenemende spanningen in Europa in die tijd reden was om verder te kijken. Ze hadden de oorlog achter de rug met een tewerkstelling in Dessau en een hongerwinter. Dan ben je grote spanningen wel zat en wil je met een jong gezin goede perspectieven. Na de oorlog ben je -denk ik- alert op politieke ontwikkelingen. De koude oorlog met het gerommel dichtbij in Oost-Europa met de neergeslagen Hongaarse opstand in 1956 als dieptepunt, vormden de voornaamste reden voor vertrek. Waarom juist naar Z-Afrika? Weet ik niet goed. Ik weet wel dat vrienden van het gezin even tevoren ook naar dat land waren vertrokken. Buren gingen naar Canada. Een broer van mijn moeder was overigens naar Australië vertrokken. Misschien dat een andere reden was dat in Sasolburg, bij Johannesburg, juist een splinternieuwe petrochemische industrie ontwikkeld werd, waarvoor men waarschijnlijk graag hoogopgeleide medewerkers zocht. In het stadje waar wij gingen wonen streken veel buitenlanders uit Europa neer.

Waarom vertrokken uit Z-Afrika? Misschien het omgekeerde van het vorige vertrek: in Z-Afrika waren ongunstige tendensen en in Europa ging alles weer goed. Mijn vader vertelde mij dat hij zich na ruim zes jaar te geïsoleerd voelde. Toch te ver weg van al het gebeuren. In de kranten stond nagenoeg niks over de rest van de wereld.
Mijn moeder wilde daar nog wel blijven. Een andere reden die ik heb gehoord lag in de financiële sfeer met pensioenaanspraken e.d. En nu was Delfzijl flink in opmars met een petrochemische industrie. Wat ook zeker meegespeeld zal hebben om de knoop door te hakken, was de levensfase van hun oudste dochter die toen vriendjes begon te krijgen. Een paar jaar wachten met vertrek kan dan de achterlating van je dochter betekenen.
De overgang van Z-Afrika naar Delfzijl was voor mij als kind gemakkelijk. Voor anderen in het gezin was het een koude douche.
Na zes jaar vertrokken we daar ook weer en verhuisden naar Zaandijk, niet ver van Amsterdam. En na vijf jaar vertrokken we naar Zwijndrecht, niet ver van Rotterdam. Dat had allemaal redenen die voortvloeiden uit het werk van mijn vader. Hij zocht steeds weer iets anders.
Misschien was het allemaal rusteloosheid waarom we steeds vertrokken.
Afscheid van Zuid-Afrika
In Zuid-Afrika, het grote, mooie land waar ik geboren ben, lagen vele jaren mijn enige wortels. Mijn ouders hebben daar met hun gezin ruim 6 jaar gewoond en in het jaar dat ik vier zou worden ben ik naar Nederland gekomen.
Dat was natuurlijk wel apart, om als enige van het gezin in zo’n ver land geboren te zijn, maar ook als jongste die periode het minst bewust te hebben meegemaakt. Veel mensen denken dat je op die leeftijd je niets meer kan herinneren, maar dat is niet zo. Ik heb een collage aan beelden in mijn hoofd. Omdat ik voorzag dat herinneringen gaan vervagen heb ik ze een paar jaar geleden opgeschreven, als duurzame reminder. Het gekke is dat ik ze daarna versneld ben gaan vergeten, alsof het geheugen, eindelijk verlost van de beheerplicht, de archiefdeuren definitief dichtgooit.
In Nederland werden thuis nog lange tijd Afrikaanse of Engelse woorden gebruikt. Tot m’n 18e dacht ik dat iedereen wist wat ik bedoelde als ik zei dat ik de spullen in de ‘boet’ legde. Totdat op de middelbare school een wiskundeleraar daarbij vreemd opkeek en mij naast integraalrekening ook het woord ‘kofferbak’ leerde. En ‘kaffer!’ was bij ons thuis bij de kinderen, het meest verschrikkelijke scheldwoord dat beschikbaar was.
Ons gezin woonde daar zo ongeveer op het hoogtepunt van de apartheid. Wij hadden dat onderscheid niet in onze hoofden. Niet meer dan elke Nederlander van die tijd. Het was toen ook volkomen geaccepteerd om daarheen te emigreren. Het werd van overheidswege zelfs zeer behulpzaam gefaciliteerd, net zoals de emigratie naar Canada, Australië en Nieuw-Zeeland waarheen in dezelfde periode ook velen gingen. We hadden weliswaar een zwarte huishoudster die in een soort huisje in onze tuin woonde (een kaja, afgeleid van het Xsosa woord voor thuis), maar die hebben we, naar ik weet, altijd goed behandeld. Eén heeft haar baby zelfs naar onze moeder vernoemd. Het bloedige incident van Sharpeville in 1960, niet ver van onze woonplaats, gaf geen aanleiding om direct te vertrekken. Mijn moeder -in verwachting van mij- liep daar de volgende ochtend nog onbekommerd over het terrein, waar de grond nog met schoenen bezaaid lag. Mijn zus heeft ook logjes gewijd aan die emigratieperiode, zie Givamo .
Lange tijd wilde ik graag eens terug naar Z-Afrika, want dáár lagen mijn persoonlijke roots tenslotte. ‘Iedereen’ was in Nederland geboren en kon daar gemakkelijk even naar terug. Bij mij was het een stuk onbereikbaar ver-weg dat opgesloten zat in een paar pagina’s herinneringen. Ik volgde altijd het nieuws over het land en meteen na het einde van de boycot nodigde ik in 1990 als eerste de Zuidafrikaanse ambassadeur uit voor een lezing op de Erasmus Universiteit (op de foto ambassadeur Albert Nothnagel in 1992. Hij was relatief populair in Nederland en presenteerde op TV bij Paul Witteman zijn boekje Lekkerleeslys met heerlijke Afrikaanse woordjes). 
Ik kijk er nu anders tegen aan. Ik hoef niet meer terug voor een sentimental journey, wat ik altijd wilde. Voor mijn gevoel heb ik er wat dat betreft niets meer te zoeken. Ik vroeg me af hoe dat komt. Ik denk meerdere redenen. Naarmate ik ouder wordt, wordt het aandeel Z-Afrika op mijn totale leven kleiner. Ook is sinds mijn zoektocht naar onze familiegeschiedenis de tijd vóór Z-Afrika van steeds groter belang geworden en in dat grotere perspectief heeft de emigratieperiode aan belang ingeboet. Bovendien heeft Beverwijk nu eigenlijk de claim op de échte roots overgenomen (zie mijn allereerste logje). Een andere reden is het veranderde Z-Afrika zelf. Mijn zus is jaren geleden teruggeweest op alle plekken waar wij toen waren en het was voor haar één grote teleurstelling. De naamswijzigingen van de provincies Oranje Vrijstaat (waar wij woonden) en van Transvaal (waar ik werd geboren) waren mij persoonlijk al een doorn in het sentimentele oog. En met de nieuwe nationale vlag heb ik ook al niets…
Sinds kort heb ik onze woonplaats van toen, Sasolburg, op Google maps tot in detail kunnen bekijken met Street View. Onze huizen staan er nog, maar nu met tralies voor de ramen! Johannesburg waar we regelmatig kwamen, was toen een relaxte, veilige stad en is nu gedegenereerd tot één van de gevaarlijkste steden ter wereld. Het is mijn land niet meer. Als je terug wilt voor jeugdsentimenten dan wil je het weer aantreffen zoals het toen grotendeels was. En dat het toen toevallig een blank apartheidsland was, doet daar feitelijk niets aan af. Daar heeft je gevoel geen boodschap aan. Ook speelt mee, dat ik een reis terug dan eigenlijk had willen doen met mijn ouders en twee zussen erbij. Met nog maar één zus over is dat vervlogen. Waarom ben ik dan nooit eerder heengeweest? Tja, goede vraag. Denk geld- en tijdgebrek. En ook dacht ik: “dat komt nog wel”.
Als toerist zou ik daar nog een fijne tijd kunnen hebben, maar niet als sentimentele jongere oudere! Ik zou nog graag Kaapstad en de wildtuin willen bezoeken. Toen ik op internet zocht naar een geschikt plaatje van een Afrikaanse olifant, zag ik ook foto’s en websites van bizarre jachtarrangementen en las dat die organisaties in Zimbabwe “jachtconcessies” hadden verworven op de big five, waaronder de olifant. Foto’s toonden trotse jagers die net een olifant, jachtluipaard of leeuw hadden neergelegd. Wat dat betreft ben ik ook bang dat Z-Afrika, net als Zimbabwe door corruptie, incompetentie en geldzucht de oren teveel naar gewetenlozen zal laten hangen. Maar toen ik dat zag, dacht ik ook: wat de natuur betreft is het mijn land nog wél! En de olifant is mijn favoriet! Er staat er eentje in mijn boekenkast.
Chateau d’Azy
Midden in Frankrijk, zo’n 250 km ten zuiden van Parijs, dichtbij Nevers, staat een prachtig jachtslot uit de 19e eeuw, dat nergens op een kaart staat. In de zomer van 1996 heb ik daar met een vriend een schildercursus gevolgd. Met een groep van ca acht cursisten verbleven we een week lang op het kasteel en maakten tochtjes in de omgeving. De cursus werd georganiseerd door ArtEDU die gespecialiseerd is in actieve, artistieke vakanties in het buitenland. Voor de eigenaars van het kasteel was het een manier om het bouwsel fatsoenlijk overeind te houden, want het begon al hier en daar af te brokkelen. Ook andere clubs organiseerde daar cursussen, zoals Reiki, waarvan het verloop ons soms luidkeels ter ore kwam. Die cursisten (allemaal vrouwen) hadden minder betaald en sliepen daarom op de zolderkamers.
Twee nodigden mij uit voor een diner in de kelder (want zij mochten niet in de eetkamer eten), en dat werd nog erg gezellig. Alles werd gefaciliteerd door de Nederlandse stichting Des Chateaux, die zich inspant om (Franse) kastelen te behouden door verhuur, of andersoortige exploitatie. Deze stichting verzorgde tijdens de cursus de accomodatie en de horeca en allerlei sportieve nevenactiviteiten. Waarschijnlijk had de stichting naar klanten gezocht en ook bij ArtEDU aangeklopt.
1996 was het eerste én enige jaar dat de cursus op die lokatie plaatsvond. Daarna werd deze alweer uit het programma van ArtEDU geschrapt. Vermoedelijk omdat de stichting de verwachtingen niet waarmaakten. Dat was voor ons, de cursisten, namelijk merkbaar. De maaltijden voldeden niet -de eerste avond was er niet eens wijn!-, de jonge vrijwilligers die ons ‘bedienden’ deden dat meestal met zichtbare tegenzin en de sportieve nevenactiviteiten vonden helemaal niet plaats. (Daarmee is trouwens niets gezegd over het functioneren van de stichting tegenwoordig, want daar weet ik niets van en we zijn vele jaren verder).
Niettemin was dit een fantastische week! Het zandstenen kasteel was geweldig. Het lag op de top van een heuvel met een wijds uitzicht op landerijen en bossen tot in de verte. Rondom lag grind en een groot gazon waarboven in de avondzon zwaluwen scheerden. We hadden een grote torenkamer aan de voorkant (op de foto links op de eerste verdieping) en vanuit het raam hadden we dus dat geweldige uitzicht. Het kasteel had nog de authentieke inrichting. Wij sliepen in originele empire bedden en dat was voor mij erg bijzonder want toen was ik erg bezig met kunst en antiek.
Een kast op onze kamer puilde uit van de prachtigste (dames)kleding. Dit was geen gewoon verblijf, dit was logeren! Het rijke verleden werd hier tastbaar en omhulde je als een jas. Alweer bevond ik mij in een tijdmachine en dat beviel me buitengewoon.
Het kasteel werd bewoond door het gezin van Charles en Aglaë Tyser. Hem hebben we niet vaak gezien. Zijn moeder was een prinses van het erg oude Huis De Croÿ uit Zuid-Nederland -nu België-, met leden die toentertijd nog een competentiestrijd leverden met Willem van Oranje. De achtergrond van Aglaë kenden we niet, we dachten een gravin ofzo. Pas jaren later, thuis bij naspeuringen op internet, bleek ze een prinses te zijn van het Duits/Oostenrijkse Schönburg-Hartenstein. Charles’ tante, ook een prinses en al in de zeventig, woonde iets verderop in een manoir. In vroeger tijden had zij daar nog The Rolling Stones, John Lennon en andere artiesten ontvangen. Toentertijd een hippe prinses dus. Met Aglaë hebben we het meest contact gehad. Zij bestierde het kasteel als een châtelaine en was erg gastvrij en geïnteresseerd. Soms moest ze door het kasteel heen rennen om bij plotseling opkomende wind, op alle kamers alle luiken te sluiten die wij open hadden laten staan, terwijl we op pad waren. Ze excuseerde zich achteraf per briefkaart bij mij dat de accomodatie “wellicht niet naar verwachting was”. Maar het was juist hartstikke leuk!
De cursus werd gegeven door Monique Maday, een Zwitserse kunstenares die destijds in Amsterdam woonde. ‘s Ochtends ontbijt in de mooie eetkamer en daarna les, in het begin op het slot, later in het landschap in de omgeving. ‘s Middags waren we vrij. Dan lagen we te lezen in een ligstoel op het gazon of we reden naar plaatsen in de buurt. Een paar keer dineerden we als groep op het kasteel of ergens in een restaurant. Het was een leuk groepje mensen met hele verschillende achtergronden en leeftijden. Onder meer de sympathieke Truze Lodder, zakelijk directeur van de Nederlandse Opera en haar partner Tom Nieuwenhuizen. Tom kwam uit de TV en radiowereld en had begin dat jaar de begrafenis bijgewoond van Peter Knegjens, de radiocommentator en TV- presentator. Hij vroeg natuurlijk meteen of ik familie was (zoals Peter Knegjens mij dat trouwens zelf ook ooit gevraagd heeft, toen ik nog een jaar of 8 was. Antwoord: tot begin 18e eeuw geen connectie gevonden).
Destijds spande ik mij in om expert in antieke meubels te worden. Ik wilde daar heel goed in worden en graag bij een veilinghuis werken, zoals Christie’s of Sotheby’s.
Daarvoor volgde ik toen cursussen bij Pieter Glerum, las boeken en bekeek oude huizen, kastelen en films met andere ogen. Na de vakantie op het kasteel had ik een plannetje bedacht om een en ander te bevorderen. De expert die bij Glerum alles over het onderdeel antieke meubelen doceerde, schreef ook artikelen in het kunst & antiekblad Origine.
Ik stelde de meubelexpert voor om het jaar daarop samen naar Chateau d’Azy te gaan. Zij kon dan een leuk en interessant artikel schrijven over de meubels, het jachtslot en de bijzondere achtergrond van de familie de Croÿ, alles met mooie foto’s gelardeerd. En ik kon haar assisteren, van haar leren en was tegelijk weer terug op dat fijne kasteel. En misschien kon mijn naam ook wel genoemd worden in dat artikel. Zo kon ik me iets meer richting die wereld gaan bewegen. Zij vond het een goed idee en ik nam contact op met de châtelaine. Die vond het ook prima en rekende geen kosten voor de accomodatie. Helaas ging het allemaal niet door vanwege plotselinge nieuwe deadlines voor artikelen en voor een nieuw boek dat de meubelexpert aan het schrijven was. Het jaar daarna ging het ook niet door omdat inmiddels de relatie met de uitgever verbroken was.
Ik werk nu al een tijdje in een heel andere omgeving, maar eigenlijk heb ik nog steeds dezelfde ambities (of droom?).
Vliegende tijdmachines
Laatst was ik met m’n zoontje van 9 naar Aviodrome, bij Lelystad. Dat is een mooi museum over vliegen en al het tuig dat daarvoor nodig is. M’n zoontje wordt helemaal blij van de moderne machines, ik van de ouderwetse. Ze hebben er een heel stel, waar je soms ook in kan.
Zo staan er een aantal vehicles uit de allereerste begintijd waar alleen dwazen in durven stappen. En toch is het fascinerend en aantrekkelijk. Dat voelde ik daar heel sterk. Dat komt ook doordat ik me altijd graag inleef in vroegertijden. Ik hou niet van grote hoogtes, maar toch….ik zou wel eens willen vliegen in een open dubbeldekker…
In een hoek staat een oude Fokker driedekker, die de Nederlandse vliegtuigbouwer, met een aantal andere ontwerpen, erg succesvol aan Duitsland versleet voor en tijdens de eerste WO. Anthony Fokker luisterde goed naar de gebruikers en hun ervaringen en paste op die manier ontwerpen aan, waardoor die dingen erg goed vlogen. Eén van die gebruikers was de overbekende V. Richthofen, u weet wel, de rode baron.
Het exemplaar op de foto staat in Aviodrome. Het is een tamelijk klein toestel. Met twee man, of misschien zelfs met één, zou je ‘m zo kunnen omkiepen. En daar zou ik dus best eens een vlucht mee willen maken. Om te ervaren hoe dat was, in die begintijd. Vliegen in een tijdmachine. Maar hoe ik me werkelijk voel als ik er eenmaal inzit en we opstijgen….niet helemaal te voorspellen…
In een grote open ruimte, tussen andere toestellen, staat ook een Lockheed Constellation waar de KLM in de jaren 40 en 50 mee vloog. Een prachtig toestel, met z’n hoge kattenrug en drie staartvinnen. De mooie lijn is bedacht, maar vooral ook ingegeven door technische noodzaak, in verband met de sterke motoren, luchtwervelingen enz. Z’n propellers waren zo groot dat er een extra hoog landingsgestel onder moest.
Het was een toestel dat qua capaciteiten z’n tijd vooruit was en de KLM heeft er 48 in dienst gehad (een paar verongelukt, de rest gesloopt!).
We zijn op Aviodrome ook bij “Conny” aan boord geweest. Daar viel me de kleine cockpit op. Daar zou ik dus noooit willen zitten! Helemaal ingeklemd tussen zijwanden en plafond en panelen met ontelbare knopjes en metertjes. En dan die kleine raampjes… Maar wat een geweldig mooi ding!
Bachkamer
Door Bach lijk ik beter te kunnen denken. Ik ben geen muziekkenner en beschik dus niet over het muzikale vocabulaire waarmee ik precies kan zeggen wat ik bedoel. Voor kenners zeg ik het vast onbeholpen, maar het lijkt alsof zijn muziek de linker hersenhelft aanspreekt doordat de noten wiskundig geordend zijn (?). Als ik alles weer kalm op een rijtje wil hebben zet ik Bach op. Control-Bach.
Een klein muziekstukje dat -geloof ik- vaak gebruikt wordt bij pianolessen voor beginners, is de Prelude in c major. Hieronder een versie op gitaar door ene Jamie Andreas in wat een badkamer lijkt en klinkt. Maar daarom juist mooi!